Open Hofkerk Burum

Achtergronden van het ontstaan van de Gereformeerde kerk van Burum

De Gereformeerde kerk van Burum was in 1835 de eerste afgescheiden gemeente in Friesland. Hieronder volgt een opstel over het ontstaan van de kerk. Als we de vraag willen weten waarom in Burum de eerste Afgescheiden gemeente werd gesticht, gaan we eerst eens kijken naar wat door historici als oorzaken van deze kerkelijke vernieuwingsbeweging worden genoemd en vervolgens kunnen we onderzoeken of ze ook van toepassing zijn geweest in dit dorp.

De eerste oorzaak die wordt genoemd is van sociaal-economische aard. In 1835 was 65 procent van al het land in handen van 5 procent van de landeigenaren. Dat waren grondbezitters die 20 hectare of meer in handen hadden. De grote massa kleine landeigenaren (75 procent) had slechts 15 procent van het land in handen.   Johan Frieswijk, Jo Huizinga, Lammert Jansma en Yme Kuiper, red., Geschiedenis van Friesland 1750-1995 (Amsterdam/Leeuwarden 1998), 93. De alinea’s die hier staan zijn een koppeling van de gegevens van J. Lautenbach, Kleine Luyden, kleine bezitters. Een godsdienst-sociologische benadering van de Afscheiding van 1834 op het Friese platteland (Leeuwarden, 1976) en L.H. Mulder, Revolte der fijnen. De Afscheiding van 1834 als sociaal conflict en sociale beweging (Meppel,1973), Beide werken worden tegenwoordig vanwege hun eenzijdige verklaringsmodel als ‘gedateerd’ beschouwd, aldus expert dr. Lammert Jansma, directeur van de Fryske Akademy en Douwe Kooistra. Beide mondelinge mededelingen.
Dit waren vaak arme mensen, die bovendien in de kerk niets hadden te vertellen.

Tot voorbij halverwege de negentiende eeuw konden namelijk volgens het oude gebruik de zogenaamde floreenplichtigen de gang van zaken in de kerk bepalen. Floreenplichtigen betaalden voor de kerk. De belasting die ze aan de kerk betaalden was gekoppeld aan het landbezit. Hoe meer land iemand had binnen de kerkelijke gemeente, des te meer kerkbelasting hij moest betalen en des te meer stemmen hij had als het ging om beslissingen die de kerkelijke gemeente moest nemen, zoals het benoemen van een predikant. Ook landbezitters die in andere plaatsen woonden hadden stemrecht in het gebied waar ze toevallig land hadden maar waar ze normaal gesproken niet naar de kerk gingen. Sommige historici hebben deze sociale en economische achtergronden gezien als de belangrijkste oorzaak voor de Afscheiding. Zij zagen in deze beweging die vooral succes had bij de landlozen een opstand tegen de gevestigde sociaal-economische orde. Hun boeken dragen dan ook titels als ‘Kleine luyden, kleine bezitters’ en de ‘Revolte der fijnen’.   Zie noot hierboven.

Een andere oorzaak was van theologische aard. Een groot deel van het gewone volk geloofde niet in de nieuwe theologie van de Groninger richting, die aan het begin van de negentiende eeuw, na de Napoleontische tijd, aan het opkomen was. Deze stroming beleed een licht liberaal, vriendelijk mens- en godsbeeld. Kern daarvan was dat men optimistisch was over de mogelijkheden van de mens zelf om een positieve bijdrage te leveren aan de verbetering van zijn maatschappelijke lot en in het bijzonder aan zijn zaligheid.
  Prof. dr. E.H. Kossmann, De lage landen 1780-1940. Anderhalve eeuw Nederland en België (Amsterdam/Brussel 1984),209.In de jaren dertig van de negentiende eeuw kwamen veel jonge predikanten die waren opgeleid in deze theologie in de pastorieën van het platteland terecht, ook in Burum.

Maar de gewone, ongeletterde gelovigen dachten en zeiden meer te weten van het geloof dan hun dominees. Ze bleven trouw aan de oude, hervormde Dordtse leerregels en waren ervan overtuigd dat ze zelf onmachtig waren, van nature geneigd tot alle kwaad, vanuit zichzelf tot niets goeds in staat en zeker niet in staat om zelf ook maar het geringste bij te dragen aan hun eigen zaligheid. En als de als liberalen beschouwde dominees deze theologie niet predikten, dan deden de ongeletterde ‘oefenaars’ dat wel. De orthodoxe bevolking kwam in kleine groepen bij elkaar – de conventikels – waar volgens hen het ‘ware geloof’ werd onderwezen. (Zie voor uitgebreide beschrijvingen van deze theologische opvattingen  H.A. Algra, Het wonder van de negentiende eeuw (Franeker,1966). In veel opzichten een bijzonder werk, alleen al omdat  deze studie van de decennialange hoofdredacteur van het Friesch Dagblad en voorman van de toenmalige gereformeerde politieke partij ARP doordesemd is van dezelfde gevoelens, bijvoorbeeld in hoofdstuk VI.)

Veel gewone orthodoxe gelovigen konden in de officiële kerk hun geliefde prediking niet meer horen en gingen ‘zwerven’. Dat wil zeggen, dat ze ter kerke gingen bij orthodoxe predikanten in andere plaatsen of dat ze de huisdiensten bezochten van ongestudeerde oefenaars die hen aanspraken.

Daarnaast speelde ook de van hogerhand opgelegde eis dat er in de hervormde kerk naast psalmen ook gezangen moesten worden gezongen. Het zingen van deze evangelische gezangen, gedichten waarin volgens de orthodoxen een liberale theologie school – Sirenische minneliederen werden ze genoemd  (Deze typering is van Hendrik de Cock. Hij verwees naar de Sirenen uit de Griekse mythologie, die mensen lokken met hun mooie gezang. Heeft iemand zich eenmaal overgegeven aan de verlokkingen van de Sirenen, dan is zijn ondergang onafwendbaar. De moderne Sirenen zijn volgens De Cock natuurlijk de vertolkers van de destijds nieuwe theologie van de Groninger richting. Hij noemde de vertegenwoordigers van deze theologie in een brochure ook ‘wolven’ die de ‘schaapskooi van Christus’ aanvielen. Hij wierp zichzelf op als de verdediger van de schapen). stuitte veel mensen tegen de borst. Maar ze konden er niets aan doen. De kerk werd van hogerhand bestuurd en het besluit om gezangen te zingen moest worden uitgevoerd. Achter de gezangenkwestie school een dieper ongenoegen, en dat was de boosheid over de herstructurering van de kerk onder koning Willem I. Hierdoor verdween de aloude Dordtse kerkorde die uitging van het zelfbeschikkingsrecht van plaatselijke gemeenten, en kreeg de overheid een stevige greep op de kerk. Deze ingrijpende verandering van de kerk betekende een stevige breuk met het verleden. Niet meer de plaatselijke kerken namen voortaan de beslissingen, maar de synode werd de baas in de kerk, met koning Willem I als werkelijke machthebber. (Agnes Amelink, De gereformeerden (Amsterdam 2001), 22-23. De gezangenkwestie ontstond al in 1807, het jaar dat ze werden ingevoerd. Willem I was, toen hij aan de macht kwam, niet genegen de gezangen af te schaffen). En als die meende dat er gezangen moesten worden gezongen, dan werden tijdens kerkdiensten gezangen gezongen. Daar hielp verder niets aan.

Samenvattend speelden er op de achtergrond van de Afscheiding dus drie elementen een belangrijke rol.

1.    De theologie. De nieuwe theologie van de Groninger richting werd een zeer belangrijke stroming in  de hervormde kerk. Veel orthodox-gelovigen zagen dit als een aantasting van het ‘geloof der vaderen’. Ze vroegen: ‘waar hebt gij mijn Heere gelegd’?  En liepen openlijk te hoop tegen deze, zoals zij het zagen, verderfelijke ontwikkeling.
2.    De gezangen. De verplichting om gezangen te zingen zette veel kwaad bloed. Niet alleen omdat de ‘Sirenische minneliederen’ volgens hen de liberale theologie uitdroegen, maar ook omdat de landelijke overheid plaatselijke gemeenten kon verplichten tot het zingen van gezangen. Het oude zelfbeslissingsrecht van de plaatselijke gemeente was verloren gegaan.
3.    De sociaal-economische situatie. De machtsverhoudingen in maatschappij en kerk waren zodanig dat de mensen die een goede maatschappelijke positie hadden, met name door het landbezit, het voor het zeggen hadden in de maatschappelijke en kerkelijke organisaties. De landlozen konden geen invloed uitoefenen op de gang van zaken en kwamen daartegen in opstand.

Al deze achtergronden kunnen worden samengevat, benoemd en getypeerd met het begrip ‘onterving’.  De mensen die in protest gingen voelden zich onterfd. Onterfd van hun oude geloofstraditie en onterfd van de invloed die ze vroeger als plaatselijke gemeente hadden in de kerk. Ze waren ook in letterlijke, economische zin onterfd, want ze hadden geen land, destijds de belangrijkste machtsfactor in de samenleving én in de kerk. De Afscheiding kan – kort gezegd – worden gezien als een protestbeweging tegen de onterving.

Nu we wat meer van de algemene achtergronden weten van de Afscheiding, kunnen we bekijken of deze bovengenoemde elementen ook van toepassing waren op de situatie in Burum aan het begin van de negentiende eeuw. Laten we eerst eens naar de kwestie van de gezangen kijken.

De invoering van gezangen tijdens de eredienst in de hervormde kerk vond plaats op 1 januari 1807. Al in juli van dat jaar bleek dat een groot deel van de gemeenteleden in Burum en omgeving fel gekant waren tegen het zingen van de nieuwe kerkgezangen. Dat blijkt uit een rapport van de classis Dokkum. Daarin staat dat de afkeer in Burum tegen de kerkliederen ‘ten top waren gerezen’. Ds I. Sannes verklaarde echter gegronde hoop te hebben dat de zaak wel goed kwam. Maar hij had te optimistisch gedacht. Want twee maanden later vond in de hervormde kerk bij het zingen van een gezang een spectaculair incident plaats. In de kerkdienst van 6 september 1807 had ds Sannes vier verzen van een Evangelisch gezang opgegeven. En die eerst voorgelezen. Het gezang had de melodie van psalm 119. Nauwelijks had de voorzanger echter een regel gezongen, of een groep gemeenteleden viel dreunend in met het zingen van een vers uit psalm 119 en bracht zo de voorzanger tot zwijgen.

Toen iedereen weer stil was, zei ds Sannes: ,,Ik zal opnieuw de vier verzen opgeven en wanneer de gemeente weer invalt met het zingen van een psalm, beschouw ik de godsdienstoefening als gestoord’’. Maar een deel van de gemeente deed het toch, waarop ds Sannes de preekstoel verliet. ,,De een lachte, de ander vloekte, een derde schreide en er kwam niets van de godsdienstoefening’’, zo staat in het rapport van de classis. De classis raadde ds Sannes aan de namen van de voornaamste ‘belhamels’ op te geven aan de drost van het district.   (Dit verslag van de gang van zaken op 6 september 1807 is ontleend aan Wesseling, De Afscheiding, 35-36. Sannes heeft slechts anderhalf jaar in Burum gestaan.)

De reactie van de classis verraadt heel duidelijk dat aan orders van hogerop in de kerk gehoor moest worden gegeven. Als een dergelijk bevel niet werd opgevoerd, kon de wereldlijke overheid – in dit geval de drost – zeg maar de baas van de politie of de officier van justitie – ingrijpen. Het is trouwens onduidelijk wat er met de belhamels is gebeurd die de godsdienstoefening hebben verstoord. Wel is duidelijk dat steeds meer mensen niet of nauwelijks meer in de kerk kwamen en hun troost zochten in de conventikels. Tussen 1804 en 1810 stonden er in Burum maar liefst drie predikanten. Uit hun namen is af te leiden, dat zij tot de Groninger richting behoorden.   (A. Algra, De historie gaat door het eigen dorp IV (Leeuwarden, z.j.), 42.)

Dat hun prediking niet in de smaak viel bij grote delen van de gemeente is ook later onder meer te zien aan de opbrengst van de verhuur van de stoelen en banken in de kerk. Die liep steeds meer terug. In 1832 leverde de verhuur 35,75 gulden op; in 1833 23,10; in 1834 20,25, waarna het weer opliep tot bijna 28 gulden in 1835, 96 gulden in 1837 en bijna 200 gulden in 1839. Toen was de predikant ds Heineken benoemd, die zich weliswaar ook tot de Groninger richting rekende, maar die veel beter met de gevoelens en de opvattingen van zijn gemeenteleden rekening heeft gehouden. Hij hield het dan ook meer dan 16 jaar uit in het dorp. (Dr. R. Smit, Gedenkschrift van het driehondjarig bestaan van het Nederlandsch Hervormd Kergenootschap te Burum en Munnekezijl 1880 (heruitgave, Buitenpost, 1978)
Daarnaast hadden natuurlijk de grootste critici van de Groninger theologie de kerk al verlaten, toen Heineken aantrad.

We hebben veel kennis van de negentiende-eeuwse kerk in Burum dankzij doctor Regnerus Smit (1818-1897). Smit was in menig opzicht een merkwaardige figuur. Hij was de eerste medicinale doctor in Burum. Daarvoor moest het dorp het doen met vaak ongestudeerde chirurgijns. Smit was een notabele, die jarenlang ouderling-kerkvoogd is geweest. En hij heeft in 1880 een belangwekkend boekje geschreven over de geschiedenis van de hervormde kerk van Burum, ter ere van het 300-jarig bestaan van de gemeente. Smit heeft als kerkvoogd zijn hele leven gestreden tegen de floreen¬plichti¬gen, de mensen die belasting betaalden over hun landbezit en daarvoor in de plaats zeggenschap kregen in de kerk. Hij verklaart de terugloop van de verdiensten uit verhuur van kerkstoelen uit het feit dat in Ulrum op dat moment ds Hendrik de Cock furore maakte. Hele volksstammen uit Burum trokken begin jaren dertig naar Ulrum om de prediking te horen van ds De Cock, die door enkele gemeenteleden was ‘bekeerd’ tot het oude geloof der vaderen. Na veel ruzie met collega-dominees en de wereldlijke overheid, besloot hij zich in 1834 af te scheiden van de hervormde kerk. Hij belandde daarvoor in de gevangenis.

De groep mensen uit Burum die geregeld via Zoutkamper vissersboten het Reitdiep overstaken, werd geleid door de Burumer molenaar Reinder Dirks Hamming. De molenaar, die een Groninger was van afkomst, raakte bevriend met De Cock.  (Hamming was geboren in Niezijl,. Hij bezocht De Cock tijdens diens gevangschap. Zie Wesseling, De Afscheiding, 36. Hij vertrok in 1852 naar Sexbierum. Later woont hij in Dokkum. Hij vertegenwoordigde de gereformeerde kerk van Burum vaak op de classis in Drogeham. In 1839 was hij praeses van de classis. In 1846 was een van de Friese afgevaardigden op de Algemene Synode van Groningen. Ibidem, 40-41). Hij heeft schriftelijke herinneringen nagelaten over zijn ervaringen. Over de reizen naar Ulrum schrijft hij: ,,Daar ons gezelschap van tijd tot tijd vermeerderde, kwamen de vissers van Zoutkamp ons met hun scheepjes afhalen. Onze reizen waren somtijds bij harde wind niet zonder gevaar. De golven bruisten wel eens geweldig, zodat sommigen, de baren aanziende, bij tijden bevreesd werden en riepen: Heere behoud ons of wij vergaan’’.   (Ibidem, 36. Ook  Smit maakt gewag van het grote aantal mensen uit deze contreien dat zondags de diensten van De Cock in Ulrum bezocht. ,,Duizenden van menschen stroomden op zon- en feestdagen naar hem toe om zijne leeringen te hooren. Honderd rijtuigen te tellen een Zondag was geen wonder. Schepen van Munnekezijl, de eilanden en van andere plaatsen aan het Reidiep gelegen, zooals een groot getal voetgangers namen deel aan dezen Sabbathstocht. Smit, Gedenkschrift, 101, noot 1.) Ik citeer Hamming letterlijk omdat hij via een ooggetuigenverslag melding maakt van de gebeurtenissen rondom de reizen naar Ulrum. Hij geeft zeg maar het bewijs voor de veronderstelling dat veel mensen hier uit de buurt naar De Cock trokken. Zijn verslag is ook interessant omdat hij bijna letterlijk de zinnen uit het bijbelverhaal gebruikt over Jezus en de storm op het meer (Mattheus 8) waarin de discipelen, de storm op de golven aanziende, de slapende Jezus wakker maken en roepen: ‘Here help ons, wij vergaan’. Dit citaat tekent de man, die in zijn denken en uitingen doordrenkt was van het taalgebruik van de bijbel, de gereformeerde Tale Kanaäns.

In de molen van Burum is nu nog altijd, op de maalzolder, een prachtige, met zwierige letters gegraveerde handtekening te zien van Hamming, met het jaartal 1849. Telkens als ik als vrijwillig molenaar zijn naam zie op een van de draagbalken van het monument, dan komen bij mij onwillekeurig bespiegelingen op, die historisch niet altijd even verantwoord zijn. Bijvoorbeeld over de invloed van molenaars en hun gezinnen op de kerkgeschiedenis van Nederland. Molens schijnen broeinesten te zijn geweest van orthodoxie. Molenaar Hamming was de leider van de eerste Afscheiding van Friesland, en Abraham Kuyper, de leider van de tweede gereformeerde golf, was bekeerd tot het geloof der vaderen door Pietje Baltus, een dochter van, jawel, de molenaar te Beesd. Deze op zich interessante verklaring over de rol van molenaars bij de opkomst van het gereformeerdendom is misschien verrassend, maar kan helaas niet als een historische wet achter de opkomst van de gereformeerde kerk worden beschouwd.

We kunnen dus stellen dat er al vrij vroeg grote onvrede was in Burum wegens het zingen van de gezangen. Ook voor problemen met de liberale prediking zijn aanwijzingen, zoals de toename van de opbrengsten uit de stoelenverhuur nadat een rechtzinnige predikant is aangetreden. Verder blijkt uit de processen-verbaal tegen de Afscheiders dat zij zich keren tegen de liberale theologie die van de kansel wordt gepredikt. Maar zo’n helder rechtstreeks bewijs als in Visvliet is in Burum niet te vinden. In Visvliet hebben mensen die zich afscheidden een schriftelijke verklaring ingediend bij de hervormde kerk; een echte acte van afscheiding, zoals die ook door ds De Cock in Ulrum was geformuleerd. Daarin staat dat de kerk ,,thans geheel bandeloos en vervreemt is van het Fondamenteel van de ware Gereformeerde leer’’. De kerk wordt een ,,verbasterde Kerk’’ genoemd.   Wesseling, De Afscheiding, 42. De gereformeerden van Visvliet hebben tot in de twintigste eeuw gekerkt in de gereformeerde kerk van Burum.

Dr. Smit maakt ook indirect gewag van problemen die veel mensen hadden met de prediking. Hij schrijft: ,,De geestelijken legden zich meer toe op landbouw, vee- en bijenteelt, dan om hunne onderhoorigen de grootheden van den Schepper te verkondigen’’.  Smit, Gedenkschrift, 101, noot 1En in het eerste notulenboek van de kerkenraad van de gereformeerde kerk van Burum staat na een artikel over de stichting van de kerk: ,,zijnde deze gemeente de eerste in de provincie Vriesland, die verwaardigd wierd door de genade des Heeren zich openlijk door belijdenis van de valsche kerk af te scheiden’’. In deze formulering klinkt duidelijk door hoe men dacht over de hervormde kerk, maar zij is achteraf, dat wil zeggen na de stichting van de gereformeerde kerk geschreven. Een officiële acte van afscheiding in Burum, gericht aan het bestuur van de hervormde gemeente, is totnogtoe niet teruggevonden.

Hoe zit het met het sociaal-economische aspect? Heeft deze oorzaak een rol gespeeld bij de Afscheiding in Burum? Was er sprake van een ‘opstand van landlozen’, zoals dat zo mooi heet in de historische literatuur? Het is wel duidelijk dat het sociaal-economische aspect een rol van betekenis heeft gespeeld. Ook in Burum gebeurde het dat de floreenplichtigen, de rijke landbezitters de gang van zaken in de kerk bepaalden. Het is voorgekomen dat vijf floreen¬plichtigen samen genoeg stemmen hadden om een predikant te benoemen. Dr. Smit ziet in de ongelijke machtsverdeling in de hervormde kerk een belangrijke oorzaak van de Afscheiding. Ik citeer hem nu letterlijk, en let op zijn woordgebruik:

,,Volgens onze zienswijze zoude er nooit zulk een
hevige strijd en scheiding in ons kerkgenootschap
ontstaan zijn, indien iedere gemeente altijd de vrijheid
gehad had om een leeraar te kiezen, die in den geest
viel van de roepende gemeente. Maar juist [en nu komt
het] de overheersching van de floreenmonarchen,
in en buiten de gemeenten, hebben krachtig tot
deze scheuring bijgedragen.’’

Ibidem, 49. Het voorval van de vijf floreenplichtigen vond plaats in 1860.


Smit heeft het over overheersing en hij rept van floreenmonarchen. Het is wel duidelijk welke kant hij de lezer van zijn gedenkboek op wil hebben. Het gewone volk werd onder de duim gehouden door de dictators die dankzij hun landbezit de baas konden spelen in de kerk.

Het valt op dat de notabele doctor Smit in zijn gedenkschrift lankmoedig spreekt over de afscheiders. De meeste notabelen in de hervormde kerk waren, net als de overheid, fanatieke tegenstanders van de gereformeerden, die ze typeerden als ‘dwepers vol van geestelijke hoogmoed’. Amelink, De Gereformeerden, 27 De meeste notabelen en overheids-personeel deden er alles aan om het betekenis van de Afscheiding te minimaliseren. Ze benadrukten steeds dat het alleen om mensen van uit de lagere standen ging. Smit doet hier duidelijk niet aan mee. Hij ziet zelfs duidelijke positieve effecten van de beweging voor de hervormde kerk. Hij beweert dat de kerk wakker werd geschut en orde op zaken kon stellen dank zij de Afscheiding. Smit, Gedenkschrift, 101, noot 1. De Cock heeft volgens Smit ,,indirect veel nut gesticht…De tweedracht dan op het godsdienstig gebied, spoorde de tragen tot werk- en waakzaamheid aan, wilden ze niet dat hunne geheele gemeente verstrooide.’’

De vraag is nu: hoe gewoon was het volk dat zich afscheidde in Burum? Met andere woorden: waren de mensen die de hervormde kerk verlieten arme landlozen of ligt het niet zo simpel?

De instelling van de gereformeerde kerk van Burum vond plaats op zondag 21 juni 1835 tijdens een kerkdienst in de boerderij van Jan Paulus Ellens, in het polderland ten noorden van Warfstermolen, het buurtschap dat kerkelijk onder Burum valt. Het gaat om de boerderij waarop nu de familie Schutter woont. Ds De Cock van Ulrum ging voor tijdens de dienst. Hij preekte twee keer, bevestigde ouderlingen en diakenen en doopte drie kinderen. 39 mensen sloten zich direct aan bij de kerk na het doen van belijdenis. De bijeenkomst was illegaal, net zoals toentertijd alle bijeenkomsten van Afgescheidenen in Nederland. De overheid gebruikte daarvoor een wetsbepaling uit de tijd van Napoleon, die samenscholing van meer dan 20 personen verbood.  In 1839 kregen de Afgescheiden kerken vrijheid van godsdienstoefening, nadat zij erkenning hadden gevraagd. Een aantal kerken wilde om principiële redenen geen erkenning vragen. Zij bleven zoals ze dat noemden ‘onder het kruis’. Een deel van deze kerken werden de latere Gereformeerde Gemeenten, ultra-orthodoxe kerken, die nu vooral zijn te vinden in de zogenaamde Bijbelgordel (Zuid-Holland, de Betuwe, de Veluwe en Overijssel). Een ander deel ging op de in Christelijke Gereformeerde Kerken.
De grietman van Kollumerland heeft een lijst gemaakt van 48 mannen die bij deze diensten aanwezig waren. Naast de namen worden ook de woonplaats en het beroep genoemd. Met name de beroepen kunnen laten zien met wat voor volk we hier hebben te maken.   Deze lijst, opgenomen in Wesseling, De Afscheiding, 38-39, somt alleen op wie er aanwezig waren. Dat wil dus niet zeggen dat alle opgenoemde mannen ook daadwerkelijk gereformeerd zijn geworden. Het gaat om mensen die de dienst van ds De Cock bezochten. Er zullen ook mensen bij zijn geweest die alleen uit nieuwsgierigheid zijn gekomen. Dit gegeven maakt het extra gevaarlijk stellige uitspraken te doen over de maatschappelijke positie van de afscheiders in Burum.

We komen op de lijst 11 landbouwers tegen, en 1 landgebruiker. Een kwart van de aanwezigen zijn dus mensen uit de boerenstand. Uit de lijst valt niet op te maken of de landbouwers landeigenaars waren of pachters. Daarnaast worden 7 gardeniers genoemd. Dat zijn kleine groentetelers, die meestal op stukjes eigen of gepacht land met grote moeite hun kost moesten verdienen. Niet alle gardeniers waren trouwens arm. Er waren er zelfs die personeel in dienst hadden. Hoe dat in Burum/Munnekezijl heeft gezeten, is mij nog onbekend. Vijftien aanwezigen kunnen worden getypeerd als kleine zelfstandigen. Twee mensen hebben het beroep van smid, een koopman, twee wagenmakers, twee schippers, een kleermaker, een bakker, een kastelein, twee ververs, een wever en twee schoenmakers. Tenslotte staan er 14 mensen genoemd als ‘arbeider’ op de lijst.

rof gezegd, kunnen we stellen dat iets minder dan een derde van de aanwezigen zeker kleine luyden waren (arbeiders) en dat iets meer dan een derde tot de boerenstand (landbouwers en gardeniers) behoorde. Iets minder dan een derde hoorde tot de middenstand. Maar deze typering is niet nauwkeurig. We weten bijvoorbeeld niets over hoe rijk of aanzienlijk de aanwezigen waren. Bovendien zijn er nog andere haken en ogen: zo kunnen de bakker en de kastelein ook landbezitter zijn geweest en personeel in dienst hebben gehad, wat destijds nogal eens voor kwam. Toch dwingt de relatief grote aanwezigheid van boeren en middenstanders ons te zeggen dat er geen sprake was van de aanwezigheid van alleen maar de allerarmsten, zoals de historici het vaak willen hebben. Duidelijk is ook dat er geen echte elite als hoge gemeenteambtenaren, notarissen, advocaten, artsen en eventuele onderwijzers aanwezig waren.

In een rapport van het Departement van Eredienst in 1835 wordt een zeer negatief beeld geschetst van de eerste afgescheidenen in Friesland. Het Departement van Eredienst was toen een Ministerie van Godsdienstzaken, een merkwaardig ministerie waarover we gelukkig tegenwoordig niet meer beschikken, ingesteld door koning Willem I. In het rapport wordt voor Burum gesproken van ‘50 Afgescheidenen, waaronder vier lidmaten en vier gegoeden. Overigens uit de heffe des volks’. Algra, De historie, 48. Uit deze laatste zin in het officiële rapport blijkt duidelijk het dédain waarmee door de overheid over de afscheiders werd gesproken. ‘Heffe’ betekent het uitvaagsel, het gepeupel, het ongeletterde janhagel. Deze officiële cijfers verschillen nogal wat van het beeld dat uit mijn eigen analyse van de 48 bezoekers van de eerste dienst naar voren komt.
Het is de vraag hoe betrouwbaar de officiële cijfers zijn. We moeten in ieder geval duidelijk voor ogen houden, dat de rapporteurs voor het Departement van Eredienst er alle belang bij hadden om de meeste leden van de nieuwe kerk zo veel mogelijk te typeren als tweederangs burgers. Zo konden ze het belang van de beweging kleiner maken, dan dat zij in werkelijkheid was. Dat er zo weinig lidmaten over¬gingen, heeft ook te maken met het feit dat de hervormde kerk destijds niet zoveel belijdende leden had. In 1845 had de gemeente van Burum-Munnekezijl 1451 zielen, van wie 120 lidmaat waren, minder dan 10 procent. In veel gemeenten kwam het aantal lidmaten destijds niet uit boven enkele tientallen. Nog in 1880, toen de gemeente naar eigen wens een rechtzinnige predikant kon beroepen, had hervormd Burum amper 40 lidmaten. Ibidem

Het wordt tijd om enkele conclusies te trekken. De vraag die ik aan het begin van mijn betoog heb gesteld was hoe het kan dat juist in Burum de eerste gereformeerde kerk van de provincie Friesland werd gesticht. Het eerste antwoord is dat in dit dorp de meeste in de literatuur genoemde voorwaarden voor een afscheidingsbeweging aanwezig waren. Er was verzet tegen het verplicht zingen van evangelische gezangen, er was tegenstand tegen de gepredikte theologie en er was protest tegen de machtsverhoudingen binnen de kerk. Het fenomeen ‘onterving’ speelde dus ook in Burum een belangrijke rol: er was grote onvrede over de gang van zaken in de hervormde kerk. Die uitte zich door de stichting van conventikels, daling van het kerkbezoek en het massaal bezoeken van ds De Cock in Ulrum. We moeten echter vraagtekens stellen bij de theorie dat het bij de Afscheiding alleen ging om de allerarmste kerkleden. Ook onderzoek in andere plaatsen naar de Afscheiding nuanceert dit beeld. Bijvoorbeeld uit onderzoek in Lioessens is gebleken dat de Afscheiding daar juist werd aangezwengeld door een aanzienlijke familie van grondbezitters.

De meeste voorwaarden die worden genoemd als achtergrond van de Afscheiding zijn dus aanwezig. Maar zij verklaren slechts dat er in Burum een Afscheiding kón plaatsvinden. Ze geven echter niet de verklaring voor het feit dat juist in Burum de eerste Afscheiding van Friesland gebeurde. Om een verklaring voor dit fenomeen te vinden, zullen we een geografisch aspect in ogenschouw moeten nemen. Burum ligt in weliswaar in Friesland, maar is traditioneel, zoals dat heet, ‘nae de Ommelanden toe geleegen’  Ibidem, 34. Het dorp ligt aan de uiterste oostkant van de provincie, in de uiterste oostkant van de ge-meen¬te Kollumerland. De inwoners van dit dorp hadden, en hebben trouwens nog steeds, een sterke gerichtheid op Groningen. Als ze het in Burum hebben over ‘de stad’, dan bedoelen ze niet Leeuwarden, maar Groningen. Deze sterke gerichtheid naar Groningen, deze (om maar een goede Nederlandse uitdrukking te gebruiken) drang nach Osten, is ook duidelijk te horen aan het plaatselijke dialect, waarin niet te missen Groningse invloeden zijn te horen.

Door de sterke banden met de provincie Groningen en het feit dat Burum aan de oostkant grensde aan Zoutkamp,  dat is de gemeente Ulrum, slechts gescheiden door het Reitdiep, was de Afscheiding snel ‘overgewaaid’. Bovendien was de leider van de gereformeerde beweging in Burum – molenaar Hamming – afkomstig uit het Westerkwartier en bevriend met De Cock. We mogen gevoeglijk aannemen dat hij in noordwest Groningen, ook toen hij in Burum woonde en werkte, innige contacten had. En het noordelijk Westerkwartier was het eerste centrum van de Afscheiding.

Wat de afscheiders hebben gedaan, en daarover is het jongste historische onderzoek het eens, is met hun eigenzinnigheid en doorzettingsvermogen een aanzet geven tot de democratisering van Nederland. Tegen de sterke stroom van de heersende liberale elite van die tijd in. Daarin was Burum geen uitzondering. Kerkhistoricus dr. A.J. Rasker verwoordt dat zo:


,,De moderne democratie heeft zich voor
het eerst geopenbaard in de Afscheiding
van 1834…Hier zijn de afgescheidenen
te midden van allerlei vormen van staats-
vergoding de eerste voorlopers der vrij-
heid in de negentiende eeuw.’’

A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795 (Kampen, 1986), hoofdstuk 5, 4.

Een aantal mensen heeft erop gewezen dat er nogal wat overeenkomsten bestaan tussen de beweging van de Afscheiding en de ‘democratiseringsbeweging’ van wijlen Pim Fortuyn. We moeten dan even afzien van het geloofsonderwerp dat de Afscheiding behelsde. Fortuyn gaf een stem aan leden van het gewone volk, dat in protest kwam tegen de liberale elite, vertegenwoordigd in het Paarse kabinet. Een regering die wordt verweten dat ze wilde bepalen wat je wel en niet mocht denken, en wat wel of niet redelijk was. Fortuyn organiseerde het protest tegen de ‘denkpolitie’, net als in 1834 de Afscheiding een protest was tegen een denkpolitie: het van bovenaf opleggen door liberaal denkende mensen van het ware, redelijke geloof. Wie zal zeggen of deze vergelijking klopt of dat het klinkklare onzin is? Het geeft ons in ieder geval stof om over na te denken.

Mondelinge mededeling van sociaal-economisch historicus Douwe Kooistra; de typering komt van historicus Schutte.